Er was een tijd dat je als oppositiepartij vooral vragen stelde aan het college. Tegenwoordig lijkt in Barendrecht vooral de (EVB) coalitie zelf die taak op zich te nemen. Wie de afgelopen maanden de stroom aan schriftelijke vragen van EVB voorbij zag komen, zou bijna vergeten dat die partij zélf het college levert.
Vragen over parkeerdruk. Vragen over groenonderhoud. Vragen over verkeersveiligheid. Vragen over sporthallen, scholen, criminaliteitscijfers en zelfs brandweerstickers voor huisdieren. Het is inmiddels alsof de eigen fractie iedere week wakker wordt met de ontdekking: “Goh, daar zouden we eigenlijk eens iets aan moeten doen.”
Vragen stellen hoort bij democratische controle. Maar ergens ontstaat toch een licht filosofische verwarring wanneer de grootste partij in de raad de afgelopen jaren haar eigen bestuur begint te ondervragen alsof er een onbekende externe macht verantwoordelijk is voor het beleid. Je verwacht bijna dat het college binnenkort antwoordt met: “Dat vinden wij ook een interessante vraag, wij zullen het doorzetten naar het college.”
Het levert soms aandoenlijke taferelen op. EVB vraagt waarom verkeersplannen blijven liggen. EVB vraagt waarom onderhoud achterloopt. EVB vraagt waarom projecten vertragen. De buitenwereld kijkt toe en denkt voorzichtig: wacht eens even… wie bestuurt hier eigenlijk al jaren?
Misschien is het de moderne bestuursstijl: regeren via schriftelijke vragen aan jezelf. Een soort politieke mindfulness. Eerst signaleren dat er een probleem is, daarna publiekelijk verbaasd reageren dat het probleem bestaat, en vervolgens onderzoeken wie hiervoor verantwoordelijk zou kunnen zijn.
De politieke dynamiek krijgt zo wel iets ironisch: een bestuur dat zichzelf kritisch controleert alsof het nét niet helemaal vertrouwt wat het de afgelopen jaren heeft uitgevoerd.
Misschien is dat uiteindelijk ook de echte bestuurscultuur van de afgelopen periode: niet zozeer daadkrachtig oplossen, maar vooral héél nieuwsgierig blijven naar waarom dingen nog niet opgelost zijn.