In Barendrecht wordt hard gewerkt aan de toekomst. Tenminste, dat moeten we aannemen, want op veel plekken liggen wegen en stoepen open alsof er een archeologische opgraving is. Kabels, leidingen en rioolbuizen krijgen alle aandacht. Het straatwerk zelf? Dat lijkt na afloop vooral een bijzaak.
Na het openbreken volgt steevast het grote mysterie: wie controleert eigenlijk of het weer netjes wordt gemaakt? Tegels liggen schots en scheef, asfalt vertoont meer golven en stoepen veranderen in een hindernisbaan.
De gemeente heeft uiteraard een controlerende taak. In de praktijk lijkt die controle vooral te bestaan uit een snelle blik door ambtenaren of een wethouder uitgedost met persoonlijke beschermingsmiddelen zoals een helm en laarzen. Alles voor de foto zou je haast denken. Maar slordig herstel wordt kennelijk probleemloos afgevinkt als “afgerond”.
Het wrange is dat inwoners wel begrip hebben voor deze werkzaamheden. Niemand verwacht een rode loper na het graafwerk. Maar het idee dat tijdelijk ongemak eindigt in permanent prutswerk, schuurt. Zeker wanneer maanden later dezelfde stoep nog steeds verzakt ligt en niemand zich geroepen voelt om verantwoordelijkheid te nemen.
Misschien is dit het nieuwe beleid: openbreken doen we grondig, herstellen met karakter. De vraag blijft hangen tussen de losliggende tegels: wanneer gaat de gemeente niet alleen vergunningen afgeven, maar ook controleren of de openbare ruimte weer fatsoenlijk wordt opgeleverd? Tot die tijd doen bewoners er verstandig aan goed op te letten waar ze hun voeten zetten. Niet vanwege het verkeer, maar vanwege het belabberde gemeentelijke kwaliteitsniveau.