Barendrechts Dagblad | Jan D. Swart: Het gezag in Rotterdam

Jan D. Swart: Het gezag in Rotterdam

mainImage

Gezag in Rotterdam, dat is onzichtbaar geld uit potjes halen en er een sprookje bij vertellen. Dat gebeurt nu op het stadhuis om Feyenoord City alsnog in de race te houden. Driekwart van de raadsleden luistert mee, met de duim in de mond. Vooral als Aboutaleb de fabels vertelt met het licht uit. De meest gezagsgetrouwe raadsleden zijn dan in no time onder zeil.

Gezag in Rotterdam, dan denk ik aan Adriaan Visser, Woonbron, Vestia, nog eens aan Adriaan Visser en nog eens aan Woonbron. Ook aan iedereen die er werkt en gewerkt heeft en nu in de raadzaal een functie heeft. Hallo, ik zit niet stil.

Gezag in Rotterdam, dan denk ik aan wijkagenten. In mijn tijd voornamelijk etters die thuis kinderloos waren en daarop werden gecast. Ze reden rond op brommertjes en jatten onze ballen. Nu heb je gelukkig halfzachte boerkafröbelaars zoals die agent Arie in Spangen. Hij dacht toch niet dat ik hem vergeten was.

Ik dateer uit de tijd dat onderwijzers met de aanwijsstok op je handen sloegen: altijd raak. Ik kan daardoor links en rechts schrijven. Dat was gezag.

Dat had óók de man van de verzekeringen. Hij verkocht in zijn leren jas dood en verderf en reed op een Berini met een eitje. Zelfs verzekeringen behoorden toen bij het PvdA-concern. Je had Het Vrije Volk, de Arbeiders Pers, de VARA, de VARA-gids, Willem Drees en de rode verzekeraar. Dat was de Centrale. Die kocht die Berini’s massaal in. Per meter druppelden ze een vleugje olie, maar daar was de PvdA toen nog niet negatief op getraind. Op dat vlak is mijn ouwe club pas later gaan zeuren.   

Het gezag in Nederland rond 1955: geweldige tijd. Geen GroenLinks. Geen PVV. Geen Nida. Geen Denk. Geen 50Plus. Geen Partij voor de Dieren. Geen SP. Geen Leefbaar Rotterdam en geen D66. Wel die leuke communisten. Kleinschalig populair. Totdat de Russen een jaar later Hongarije binnenvielen. Toen was het huilen geblazen.

Het gezag in Nederland, dat was voor mijn buurjongen: God. Aan de overkant van mijn straat had een ander vriendje ook een God, maar een iets andere. In 1955 kon je in Rotterdam aan geloofsdiversiteit een puntje zuigen. Per slot van rekening had je ook allemaal verschillende voetbalclubs en die hadden ook allemaal een eigen trainer. Waarom zouden we dan met één God genoegen moeten nemen?

Er waren wel twee strenge bij. De gereformeerde God verbood het zondagvoetbal en die van de katholieke wilde pas aftrappen zondag na twaalf uur. Wij zelf waren thuis van God los. Ongelovigen waren in de vijftiger jaren heidenen. Maar er kwamen er steeds meer. Het werd zelfs zo’n trend dat de katholieken politiek met andere christenen fuseerden om aan de macht te kunnen blijven. Evangelisten gingen op in GroenLinks en zondagclubs fuseerden met die van zaterdag. 

Godzijdank bleven er nog genoeg kerken over om op vaste dorpsuren te kunnen blijven genieten van hun bimbambeieren. Ik vind dat een aangenaam geluid. Veel aangenamer dan dat gehuil uit die luidspeaker van een moskee. Maar dat is smaak. En ik neem aan dat smaak nog steeds heel liberaal is, niet racistisch of islamofobisch, en dus ook nog is toegestaan. Ja, ik vraag het maar.