Vandaag staat het Rotterdamse raadslid Kevin van Eikeren tegenover ondernemer Wim Beelen voor de rechter. Van Eikeren noemde hem onder meer proleet, patjepeeër en spijkerharde speculant. De rechter mag bepalen wat juridisch door de beugel kan.
Mij interesseert eigenlijk iets anders. Waarom zou je als volksvertegenwoordiger zo willen praten? Politici moeten scherp kunnen zijn. Hard zelfs. Maar scherp is iets anders dan grof.
Je kunt Beelens belangen onderzoeken, zijn motieven bevragen en zijn handelen fileren. Maar wat voegen woorden als proleet en patjepeeër daaraan toe? Niets.
We zien die verbale spierballentaal al langer. Aboutaleb met zijn „rot toch op”. Rutte met zijn „pleur op”. Jetten met zijn „vol op hun bek slaan”. Steeds moet het harder, grover en stoerder. Maar een burgemeester, premier of raadslid is niet zomaar iemand die kwaad staat te roepen aan de bar. Het politieke ambt doet ertoe.
Juist omdat politici veel mogen zeggen, mogen we verwachten dat ze nadenken over wat ze wíllen zeggen. Want woorden van gezagsdragers zetten mede de norm. Je kunt niet klagen over verruwing en gebrek aan respect in de samenleving, terwijl je zelf de politieke omgangstaal steeds verder naar beneden trekt. En het is nog dom ook.
Zodra Van Eikeren „proleet” zegt, gaat het niet meer over Beelen. Dan gaat het over Van Eikeren. Zodra Aboutaleb „rot toch op” zegt, gaat het niet meer over de zaak waarvoor hij opkomt. Dan gaat het over Aboutaleb. Het scheldwoord eet de boodschap op. Dus pak Beelen gerust hard aan. Onderzoek hem. Bevraag hem. Leg zijn belangen bloot. Maar laat proleet en patjepeeër thuis.
Niet omdat het niet mag. Maar juist omdat een goed politicus iets veel krachtigers heeft dan een scheldwoord: een argument.