Voor me ligt een foto van een feestende en versierde straat in Rotterdam, de moffen waren net weg. Ik kan me 5 mei als kind niet anders herinneren dat met even saamhorige als lullige kinderspelen.

In het ouwe Noorden waren dat volksstraten waar het krioelde van de communisten. De vader van Coen Moulijn was er één van en de mijne zat er dicht tegen aan. Hun berichten waren berichten uit de bunker. Pas toen de Russen in 1958 Hongarije binnenvielen ging hun een licht op.

Christelijke herderlijkheid was er ook. Kerken genoeg. De Lutherse stond zelfs aan het einde van mijn straat. Met een nooit gebruikte zijdeur aan de kant van Het Kanaal, waaromheen dicht struweel om experimenteel je broek te laten zakken voor meisjes die dit protesterend al even experimenteel op prijs stelden. Op die manier bracht de kerk beschutting voor jonge atheïsten.

Eigenlijk was ik agnost, althans zover ik het verschil in betekenis onder de knie hebben kunnen krijgen, want ik zat wel op de Zondagschool, keek verplicht naar lichtbeelden en spaarde me scheel aan Christusplaatjes met gekartelde randjes, terwijl mijn vader in verkiezingstijd lijst 1 van de PvdA voor het raam had hangen. Drees. Burger. Later Vondeling.

Mijn thuistotaal was compleet rooddooraderd en daar hoorde van alles bij. Ook de AJC. De muziekschool en dansen om de meiboom. Barbara Kathmann moest eens weten. Met als hoofdprijs een geslaagde sollicitatie bij Het Vrije Volk, nadat er veertien andere waren mislukt. Bij die zeperds zat ook De Telegraaf, want eigenlijk keek ik zo nauw niet. Ik wilde vluchten, want ik was klerk bij de gemeentesecretarie.

Ouders kozen in de provotijd voor hun kroost toch voor vastigheid. Als ambtenaar kon je niet worden ontslagen. Dat idee zat erin geramd. Ik was 21 jaar toen er goddomme al rekening werd gehouden met een vast pensioen. De oorlog had jonge ouders volledig gebrainwasht. De hele dag graaide ik zodoende op de afdeling Bevolking van het stadhuis in bakken met oude bruine persoonskaarten. Van elke inwoner in Rotterdam was er één. Daarop stond ook je religie. Bij mij: DG. Dat was de afkorting voor Doopsgezind. De betrouwbaarheid van dat vakje was bedroevend. Mijn vader, die mijn geboorte had aangegeven, geloofde alleen in Drees.

Op die persoonskaart stond ook wanneer iemand in de oorlog fout was geweest. In dat geval had het vakje Nationaliteit een bedenkelijk streepje. Ingetikt met een zware Remington. Op de achterkant las je de verklaring. Ik kende zodoende alle NSB’ers uit mijn buurt uit mijn hoofd. Nooit eens uitgezocht of ze later wel gewoon AOW kregen. Ga ik toch nog eens doen.

Het afnemen van het Nederlanderschap, waarin vooral de rooien na de oorlog fanatiek voorstanders waren en ook grootscheeps werd uitgevoerd, bravo, zou ook tegenwoordig als maatregel meer dan eens geweldig van pas komen. Ik ken aanleidingen en kandidaten genoeg. Ik zou als snelheidsrechter vandaag al met die drie mafketels op de Dam begonnen zijn.