Hoewel de Evaluatie Rotterdamse Plaatsingswijzer 2017-2018 slechts een betrekkelijk beperkte basis kent, want slechts 64 keer ingevuld, komt toch het beeld weer naar voren dat de door de basisscholen verstrekte  schooladviezen in twijfel getrokken worden door het voortgezet onderwijs.
Een hardnekkig probleem.

In het verre verleden was het zo dat leerlingen van de lagere school examen moesten doen om toegelaten te kunnen worden tot de HBS, de voorganger van het huidige Atheneum. De ontvangende school bepaalde wie goed genoeg was. Punt uit!

De bovenmeester die ik opvolgde als hoofd der school (zo heette dat toen nog) was er trots op dat hij op zeker moment 120% geslaagden kende. Hij stoomde zijn leerlingen klaar voor het toelatingsexamen. Van sommige leerlingen had hij het idee dat ze eigenlijk niet goed genoeg waren voor de HBS, maar toch slaagden zij. Die 20% meer waren dan dus de leerlingen die slaagden terwijl mijn voorganger ze eigenlijk niet goed genoeg achtte.

Toen al had ik het idee dat hier sprake was van korte termijn politiek. Toen al was ik nieuwsgierig naar welk vervolg de schoolloopbaan van die 20% zou gaan kennen.
Wie mijn columns leest, weet dat ik geen voorstander ben van het kunstmatig opkrikken van leerresultaten. Vroeg of laat loopt een leerling vast als er op korte termijn meer ingepompt en uitgehaald wordt dan er eigenlijk in zit.

Later werden de eindtoetsen van het CITO leidend voor plaatsing in het voortgezet onderwijs. Bij een bepaalde score was de leerling geschikt voor een bepaald type voorgezet onderwijs. Makkelijk en overzichtelijk, maar of het een garantie was voor een vlekkeloos vervolg? Zo’n toets is tenslotte niet meer dan een momentopname.

De basisschool werkt meestal een behoorlijk aantal  jaren met een leerling. Veel wordt vastgelegd in het leerlingenvolgsysteem. De basisschool kent het kind door en door en weet ook veel van de randvoorwaarden, zoals thuissituatie en ambities van de leerling. Het ligt dan meer voor de hand het advies van de basisschool als leidend te gaan bestempelen. Zo geschiedde enkele jaren terug.

Maar dan steekt toch weer de twijfel de kop op.

Vaak kreeg ik van het voorgezet onderwijs terugrapportages van de resultaten van de door mijn school geleverde leerlingen betreffende de doorstroom na de brugklas. Daar kon al veel uit opgemaakt worden. Maar eigenlijk zou het nog beter zijn om op nog langere termijn te kijken naar de vervolgstappen van een leerling en dat af te zetten tegen het schooladvies van de basisschool.

Ook zou het beter zijn meer onderling contact te hebben, te weten van elkaar waar men mee bezig is. Er zou ook meer gekeken moeten worden naar welke gegevens absoluut doorgegeven moeten worden, want het is immers super belangrijk dat het voorgezet onderwijs niet opnieuw en vaak te laat achter bijzondere omstandigheden van de leerling komt.

Wat de boer niet kent, dat moet ie niet……..

Dat moet anders, dat kan beter. Ook hier geldt dat overleg verhelderend werkt en onderbuikgevoelens vervangen kunnen worden door tastbare resultaten.