Voor me ligt een foto van de lagere school. Die is bij opgravingen te voorschijn gekomen.
Ik zit op de achterste rij en zie eruit als Marinus van der Lubbe.
Iedereen zag er in de jaren vijftig mislukt uit, maar ik was toch wel de ergste.

Ik was kippig, maar de schooloogarts kwam vroeger pas in de laatste klas. Daarom zat ik vijf jaar lang terminaal op de laatste rij. Ik kon toch nog niks op het bord lezen. Ik zag niet eens dat er een bord was.

Voetballen deed ik met een fondsbrilletje. Dat oogde in sportkringen als volledig ongeschikt. Totdat Fons van Wissen van PSV in het Nederlands elftal debuteerde. Ook blind. Toen werd de zeperd dragelijker. Contactlenzen bestonden toen nog niet.

Ook de tandarts kwam op de lagere school pas in de laatste klas. Rotterdam liep voor mijn gevoel jaren achter.
Eens per half jaar werd er een monstrueuze boormachine het schoolgebouw binnen gereden en niemand ontkwam aan de slachting. Dat was nog eens inclusiviteit. Wie een verdoving vroeg kreeg een draai om z’n oren en wie wegliep lag bij de deur al knock out. Tandartsen van vroeger waren kindertemmers. Grote handen rekten je wangen uit tot hamsterformaat en de tranen van pijn stonden tot diep in je bilnaad.

Tijd was geld, zodat je ook nog het leed van je voorganger op één meter afstand verplicht moest bijwonen. Soms een uur lang, want naoorlogse kindergebitten waren van een rammelend niveau. Tenzij je in Hillegersberg of Kralingen woonde. Verschillen zijn er nu eenmaal altijd geweest.

Naast me op de foto staat de juffrouw. Een lekker ding. Marinus van der Lubbe zag dat weliswaar niet, maar hij voelde het aan zijn water.

Ik heb ook nog een foto van de zesde klas. Daar heb ik wel een bril. Ik ben daar geen Marinus van der Lubbe meer, maar het type Rob de Nijs. En ik draag een gebreide trui. Elke maandag werd die door mijn moeder in een teil met de hand gewassen, zodat ie elke dinsdag een fractie kleiner was. Op de dag van de foto is mijn navel te zien. Daaruit at ik kruimels. Nu zit er bij de jeugd een piercing in.

Al onze haren zijn in scheiding gekamd en alles is hoog opgeschoren. Dat is nu weer mode. Hier en daar heeft een klasgenoot op de foto een fluim, en die wordt kunstmatig vet gehouden.
Gek eigenlijk dat het haar in die tijd nooit eens uit zichzelf mooi in de plooi ging. Ook bij mij niet. Het viel opgedroogd dood voorover op je voorhoofd.
Peenhaar was een collectieve obsessie die als een koortsdroom door de tijd waarde en waartegen maar één middel bestand was: Brylcream. Nu is er een scala aan diversiteit.

Er is er op de foto eigenlijk maar één die met een gelijkmatig verdeelde aandacht over alle facetten van het uiterlijk volledig in orde is en dat is die juffrouw. En toch zie ik bij haar omgeslagen sokjes in de schoenen. Nu zou dat een afknapper van jewelste zijn, maar toen kwam elke sok bij de juffrouw van 22 jaar glashelder tot zijn recht. Ook haar wandelschoenen. En met spekzolen was ze op haar mooist.

Dat vond ook een oudere getrouwde onderwijzer, die haar elke morgen in het wachthokje van lijn 11 op het Lisplein stond op te wachten. Hij was stapelgek op mijn juf, die soms sneller was dan de tram en dan zagen we hoe de oude meester de rug kromde en met een oogverblindende snelheid, dwars door heggen en het grasveld, zijn achterstand inhaalde. Niet zelden ging zijn graaiende handje dan meteen haar bloesje in.
En verdomd, ze straalde.
Maar dat zou ze nu, in dit gekke land, niet eens meer heerlijk hebben mogen vinden.
Dat is te exclusief.
Het moet diverser.