We zijn nu een week verder en ik mis de Tour. Ik mis die routetoeristen die drie weken lang met zweetvlekken op polo’s en broeken met vloekende kleuren zwaaiend met geveldoeken mijn Tourmiddagen tot een feest maakten.
Tot natuurlijk die ene afdaling toen een auto of motor Primoz Roglic meezoog en Tom Dumoulin kutzooiriep.
Zijn pijn ging door merg en been. Het klonk alsof zijn ballen waren afgebeten.

Raar eigenlijk dat bij boze sportmannen altijd de schaamstreek van de vrouw het moet ontgelden.
In 2016 reed Bouke Mollema zich op een dag naar de gallemiezen en ’s avonds zei hij:kut.
Er woelde een hand door zijn melkboerenhondenhaar en toen kwam het. Duidelijk. Alles omvattend. Een gezonde Groningse jongen, drie weken van huis, ballen zo zwaar als lood, goed voor een drieling en dan die ondraaglijke pijn van een man die in de rij der wachtenden van 2 naar 10 was gekukeld.

Tom en Bouke ontnamen het laatste restje poezige aan de oorspronkelijke betekenis van het woord en nergens in Holland zal een geslachtsdaad de komende weken meer een echte triomf zijn.

Ik mis de Tour. Ik ben er verslaafd aan.
De Tour heeft alles. Mooie vrouwen in bikini’s. Lippen met sjerpen en meehollende imbecielen. Kerken. Kathedralen. Regen als pijpenstelen en een stekende zon.
De ronde van Frankrijk is een gelukzalige wereld zonder dieptreurige industrieterreinen, ver weg Pechtold, Kuzu, koppijn en het zaakwaarnemersschorem uit de voetballerij. Geen rammelende gouden kettingen, engnekken en getatoeëerde vleeswaren. Alles is rank. Geen borsthaar gezien. Tourrenners hangen zelfs hun blanke sabels boven eco-toiletten in campers. De urine van de populaire Peter Sagan is opgevist en in een flesje bewaard.

De Tour is toeristique en romantiek. Eenvoud en menselijke maat. Geen BMW, Mercedes of Porsche, slechts nederige Skodastreepjes bij de finish.
De Tour de France is de eeuwig levende Woutje Wagtmans in gesprek met Jan Cottaar. Het is de ronde van Hugo Koblet, die op de dag dat zijn mannequin Sonja van hem wilde scheiden zijn Alfa Romeo pakt en zich op 39-jarige leeftijd in de bergen van Zwitserland te pletter rijdt. Als het Duitse blad Stern haar jaren en jaren later 20.000 Mark biedt voor haar levensverhaal neemt mijn oude vriend Jean Nelissen vanuit Maastricht de trein, spoort naar Zurich, koopt op het station een bosje bloemen en gaat voor een tientje met het verhaal aan de haal.
Jean had het ook – Het Tourmysterie.

Het enige wat ik dit jaar opnieuw miste was het Buenos Noches di amor, dat uit de mond van Dalida de eerlijkheid van Tom en Bouke op het einde van de avond naar het wonder van de nacht zou hebben teruggebracht. Smeets zou dat hebben begrepen.
Mart had het ook.
Vrees dat Herman van der Zandt ’t nooit zal krijgen.