Toen Wim Kok in 1994 zijn eerste paarse kabinet smeedde samen met D66 (52 jaar niets bereikt) en de VVD sprak hij over het afschudden van de ideologische veren.
Drie partijen die samengaan en geen belemmeringen willen van de ideologie die ten grondslag ligt aan het bestaan van hun partij. Een concessie om het land bestuurbaar te maken en om de christen democraten eindelijk eens buiten de landelijke bestuurlijke macht te houden. Hun partij, het CDA, had die religieus gekleurde ideologische veren al in 1988 afgeschud en sindsdien op alle niveaus bestuurlijke functies naar zich toe kunnen trekken.
Dat leek de sociaal democraten en de liberalen eigenlijk ook wel wat. Hun onderling overleg verliep prima en het zogenaamde ‘poldermodel’ volgde. Natuurlijk je reinste kiezersbedrog want de kiezer had zich natuurlijk wel op die ideologische grondslag gericht. Het bleek geen probleem.

Het poldermodel werd geroemd door werkgevers- en werknemersorganisaties en de media. Zeker de laatste gingen vol op het orgel in hun loftuitingen en vleierij. De keerzijde van de paarse medaille werd niet of nauwelijks genoemd. Dat de pers aan de leiband van de politieke partijen liep en de werkgevers en werknemers vooral samen dineerden deerde niemand. Dat terwijl politieke strijd en voor 100% opkomen voor je achterban een voorwaarde is voor een goed functionerende democratie; zowel op landelijk maar zeker ook op lokaal niveau.
De positie van alle kartelpartijen op lokaal niveau leek vaste grond onder de voeten te hebben gekregen. Het gevolg was een enorme dans rond de ‘banenboom’: niet capaciteit, maar anciënniteit en loyaliteit aan de partijtop leverden een bestuurlijke positie op.

Op congressen en vergaderingen werd nogal eens een ideologisch ballonnetje opgelaten, maar verder heerste er dociliteit en stilte. Ook het succesvol optreden van enkele lokale partijen in Hilversum en Utrecht, deed bij het kartel geen belletje rinkelen.

Toen kwam de steen in de rimpelloze politieke vijver. Pim Fortuyn legde zijn vinger op de zere plek en onderbouwde dat later met zijn boek: ‘De puinhopen van acht jaar paars.’
De reacties van alle partijen – ook het CDA – waren gelijkluidend. Deze aanval op hun machtspositie en hun banencircuit moest met alle middelen worden gepareerd. Plotsklaps kregen ze ook weer een ideologisch tintje: ze waren tegen Fortuyn; tegen populisme! Dat het begrip populisme niet eens goed gedefinieerd was, deed er niet toe. Het kwam van Fortuyn en was dus fout.

Niet het poldermodel was het bindmiddel, maar de gemeenschappelijk afkeer van Fortuyn en zijn aanhang. Zijn onderbouwde kritiek op de Islam werd discriminatie en islamofobie genoemd en zijn kritiek op de multiculturele samenleving was ‘onderbuikgevoel’.
Van de Islam mocht geen slecht woord gezegd worden en islamieten moesten – zelfs ten koste van de waarheid – altijd beschermd worden tegen de aanvallen van die vuige populisten. Weer een ideologisch uitgangspunt met wederom een niet al te sterke onderbouwing. Maar bij de media ging het er in als koek. Ook zij verenigden zich achter het partijkartel en vielen zonder uitzondering over Fortuyn en zijn groeiende aanhang heen. De gevolgen zijn bekend.

Ik kom tot deze ontboezeming toen ik het stadscollege recent op bezoek in Ommoord en Zevenkamp zag: de wijken waar Leefbaar Rotterdam veruit de grootste is. Voor het eerst wemelde de parkeerplaats van dikke BMW’s. Het kritiekloze verslag van RTV Rijnmond was beschamend! Niets over de half gevulde zaal. Niets over de aanwezigheid van voornamelijk leden van het kartel, die toch wel vragen kunnen stellen.
De geschiedenis herhaalt zich in onze stad. Niet capaciteit, maar anciënniteit en loyaliteit aan de partijleiding zijn de selectie criteria. Geen inhoudelijke kritiek op de politieke opponent, maar gewoon tegen Leefbaar, die partij van 50.000 Rotterdammers met ‘onderbuikgevoelens.’
De dociele fracties kijken toe en keuren het goed.
Het adagium in die kringen is ook: nu jij, morgen ik.
Dus mondjes dicht en oogjes toe. Over vier jaar komt die lucratieve baan, wellicht aan mij toe!